Herfst

Herfst

 

In mijn handen heb ik twee kleine warme handjes. Een iets grotere hand van Jozef en in mijn andere hand het kleinere, dikkere handje van Boaz. We drentelen door de herfstbladeren naar huis. Na een heerlijke middag in de grote speeltuin, schommelen in de najaarszon en glijden van de hoogste glijbaan. Nee, ze zijn absoluut niet bang. Bovendien zolang ze mij zien, durven ze natuurlijk alles. ‘Kijk, mamma’, zegt Jozef  terwijl hij een aantal bomen aan de overkant aanwijst,  ‘die bomen zijn allemaal in hun blootje! Hebben ze het dan niet koud?’

Boaz en Jozef gieren van het lachen om al die kale bomen in hun blootje. Hilarisch vinden ze dat. ‘Kijk Jozef die, en die ook,’ zegt Boaz wijs.

‘Mama, waarom laat de Heere God niet al die bladeren gewoon hangen’, zegt Jozef volkomen onschuldig. ‘Is dat dan niet mega veel werk?’ Is zijn volgende vraag. ‘Ja, maar ik denk dat de Heere God vooral wil dat wij ieder jaar weer opnieuw intens zullen genieten van al die mooie seizoenen met al die prachtige kleuren.’ Jozef schopt een kastanje weg.

‘Maar God weet toch wel dat ik helemaal niet tegen veranderingen kan, zucht hij. ‘Ja, dat weet Hij, en Hij zal ervoor zorgen dat jij ieder nieuw seizoen weer blij kunt zijn en kunt lachen’.

Jozef duikt in een berg bladeren.

Ik kijk naar boven, opnieuw dwarrelen er bladeren naar beneden. Op mijn hoofd, maar ook naast mij. Het voelt als zachte sneeuw, als een zachte, rijke zegen.

Een zachte liefkozende herfst zegen.

Een knipoog van boven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *