Het paradijs

Het paradijs

 

Hoe schoon ook

het naar bloemen rook

in het paradijs

waar wij eigenwijs

toch kozen

voor die ene appel

 

Waardoor alles zo dramatisch

zo fugatisch en socratisch

een ommekeer bracht

in die aller diepste nacht

 

Toen wij zijn gevallen

in Adam vervallen

en Eva anderen beschuldigde

van haar ongeduldige

begeerte en lust

 

Ten leste werden wij bedaard

door een engel met een zwaard

Nooit meer toegang tot de tuin

nu ons leven ligt in puin

door die ene appel

 

De appel en de levensboom

een thans voorbije dagdroom

Die alles zag en alles droeg

waar God om vroeg

De appel werd verlost

de schuld is ingelost

de engel legt zijn zwaard nu neer

de zonden draagt nu onze Heer

De toegang is weer vrij